§ Mist op de Grafheuvels In de ban van de Ring

Terwijl hij daar lag te denken en zichzelf in de hand kreeg, merkte hij ineens dat de duisternis langzaam begon te wijken: een bleekgroen licht gloeide rondom hem op. Eerst kon hij niet zien in wat voor omgeving hij eigenlijk was, want het licht scheen uit hemzelf te komen en uit de grond naast hem, en had het dak of de muur nog niet bereikt. Hij draaide zich om, en daar in het koude schijnsel zag hij Sam, Pepijn en Merijn naast zich liggen. Zij lagen op hun rug en hun gezichten zagen er doodsbleek uit en ze waren in het wit gekleed. Rondom hen lagen vele schatten, van goud misschien, hoewel ze er in dat licht koud en onaantrekkelijk uitzagen. Om hun hoofd hadden zij banden, om hun middel zaten gouden kettingen en aan hun vingers prijkten vele ringen. Ze hadden zwaarden aan hun zijde en schilden lagen aan hun voeten. Maar over hun drie nekken lag één lang ontbloot zwaard.

Search
Author(s)
Illustraties
  • Hij draaide zich om, en daar in het koude schijnsel zag hij Sam, Pepijn en Merijn naast zich
liggen.

    Hij draaide zich om, en daar in het koude schijnsel zag hij Sam, Pepijn en Merijn naast zich liggen.