Naar de stand van de zon te oordelen was het nog vrij vroeg, zo tussen negen en tien uur, en de hobbits begonnen aan eten te denken. Hun laatste maaltijd was middageten geweest naast de rechtopstaande steen de vorige dag. Voor hun ontbijt aten ze nu de rest van Toms proviand, die bestemd was geweest voor hun avondmaal, met nog wat andere dingen die Tom had meegebracht. Het was geen grote maaltijd (de hobbits en de omstandigheden in aanmerking genomen), maar ze voelden zich er een stuk door opgeknapt. Terwijl ze zaten te eten, ging Tom de grafheuvel op en inspecteerde de schatten. De meeste ervan legde hij op een hoop, die in het gras glinsterde en fonkelde. Hij gelastte dat ze daar moesten blijven liggen ‘vrij voor alle vinders; vogels, dieren, elfen of mensen en alle vriendelijke schepselen’; want op die manier zou de betovering van de grafheuvel worden verbroken en verspreid en zou geen Geest er ooit naar terugkeren. Uit de hoop koos hij voor zichzelf een broche bezet met blauwe diamanten, veeltintig als vlasbloemen of de vleugels van blauwe vlinders. Hij keek er lang naar, alsof er een herinnering bij hem was opgekomen, schudde zijn hoofd en zei ten slotte: ‘Dit is een aardige snuisterij voor Tom en voor zijn vrouwe! Schoon was zij die lang gelee’ dit op haar schouder gespte. Goudbezie zal ’t dragen nu, en wij zullen haar niet vergeten!’ Voor ieder van de hobbits koos hij een dolk, lang, in de vorm van een blad, en scherp, prachtig afgewerkt, met drakenfiguren erin van rood en goud. Ze glansden toen hij ze uit hun zwarte scheden trok, die gemaakt waren van een vreemde metaalsoort, licht en sterk, en bezet met vele vlammende stenen. Of het door de voortreffelijkheid van de scheden kwam, of door de betovering die over de grafheuvel lag, het staal scheen niet door de tijd te zijn aangetast: vrij van roest, scherp en schitterend in de zon.
Search
Author(s)
- J.R.R. Tolkien (auteur)
- Max Schuchart (vertaler)