§ In ‘De Steigerende Pony’ In de ban van de Ring

Ze waren gewassen en zaten heerlijke grote kroezen bier te drinken, toen meneer Boterbloem en Nob binnenkwamen. In een oogwenk was de tafel gedekt. Er was hete soep, koud vlees, een bosbessentaart, verse broden, plakken boter en een halve roomkaas; goed, eenvoudig eten, even goed als men in de Gouw gewend was, en huiselijk genoeg om de laatste van Sams bedenkingen (die al aanzienlijk waren verlicht door de voortreffelijkheid van het bier) weg te nemen. De waard bleef wat rondhangen en maakte toen aanstalten om hen alleen te laten. ‘Ik weet niet of u zin hebt u bij het gezelschap te voegen wanneer u gegeten hebt,’ zei hij, bij de deur. ‘Misschien gaat u liever naar bed. Niettemin zou het gezelschap u graag begroeten als u er iets voor voelt. Wij krijgen niet vaak Buitenstaanders – reizigers uit de Gouw bedoel ik, neemt u mij niet kwalijk; en we vinden het prettig om wat nieuws te horen, of een verhaal of lied dat u kwijt zou willen. Doe maar waar u zin in hebt. En bel als u iets tekortkomt!’

Search
Author(s)
Illustraties
  • Er was hete soep, koud vlees, een bosbessentaart, verse broden, plakken boter en een halve roomkaas; goed, eenvoudig eten, even goed
als men in de Gouw gewend was, en huiselijk genoeg om de laatste van Sams bedenkingen (die al aanzienlijk waren verlicht door de voortreffelijkheid
van het bier) weg te nemen.

    Er was hete soep, koud vlees, een bosbessentaart, verse broden, plakken boter en een halve roomkaas; goed, eenvoudig eten, even goed als men in de Gouw gewend was, en huiselijk genoeg om de laatste van Sams bedenkingen (die al aanzienlijk waren verlicht door de voortreffelijkheid van het bier) weg te nemen.